Zelhem en Halle in de oorlogsjaren
__________________________________
door: Bert Schieven

De eerste oorlogsjaren verliepen voor het grootste deel van de bevolking betrekkelijk rustig. Natuurlijk waren bijna alle artikelen op de bon, maar dat had voor de grotendeels boerenbevolking bij lange na niet die gevolgen zoals dat in de grote steden het geval was. Tijdens de Duitse inval in mei 1940 werd Zelhem min of meer zijdelings gepasseerd en de enige materiŽle schade betrof het bruggetje in de Kruisbergseweg die door terugtrekkende Nederlandse troepen werd opgeblazen. Ook het huis van de familie Kappert (Zelhemmerend) liep hierbij aanzienlijke schade op. Twee inwoners van Zelhem, Eduard Peppelman en Derk Jan Heinen, sneuvelden tijdens de gevechten op de Grebbeberg. Vanaf juli 1940 werden er in de vorm van luchtdoelartillerie (Flak) permanent Duitse troepen binnen de gemeentegrenzen gestationeerd. De grootste last die men van deze troepen ondervond was het telkens weer gedwongen af moeten staan van woonruimte, de zogenoemde inkwartiering.
Zoals gezegd verliep alles aanvankelijk betrekkelijk rustig. Dat begon echter vanaf de zomer van 1944 snel te veranderen. Na de grote geallieerde doorbraak in Frankrijk en de hierop volgende opmars door BelgiŽ werden de Duitse troepen op een steeds kleiner oppervlak samengedrukt. In Zelhem begon men dat te merken aan de groepen Duitse soldaten die hier tijdelijk ingekwartierd werden of op doorreis passeerden. Het betrof vaak legereenheden die hier voor die tijd nog niet gezien waren en het geheel begon er ook behoorlijk gehavend en wanordelijk uit te zien.

De eerste grote groep Duitse militairen die op hun terugtocht in Zelhem aankwamen betrof de parachutisten van de zesde Fallschirmjagerdivision, die in augustus 1944 arriveerden. Over de gehele gemeente verdeeld bleven vrij grote groepen van deze divisie aanwezig tot aan de bevrijding. Begin september 1944 arriveerden er grote groepen van de Waffen-SS. Zij behoorden tot de tiende SS-Pantzerdivision Frundsberg, die het in NormandiŽ en op hun terugtocht door BelgiŽ en Nederland zwaar te verduren had gehad. Ze waaierden uit over de Achterhoek om hier tot rust te komen en weer op gevechtssterkte te worden gebracht. Grote eenheden gemechaniseerde artillerie werden verdeeld over Halle-Nijman, hun tanks en andere voertuigen werden onder meer verdeeld over de bossen in de Kruisberg, Slangenburg, het Zand en de Kappenbulten.
Het dorp Zelhem werd ongeveer in zijn geheel in beslag genomen. Allereerst was daar een herstelcompagnie onder commando van Harald Beitzel. Deze herstelcompagnie had de smederijen van Dimmedal (aan de Stationstraat) en Nusselder (tegenover de kerk) gevorderd, de manschappen werden in de oude school naast het gemeentehuis gelegerd. De onderofficieren werden verdeeld over de burgerbevolking, terwijl de officieren (waaronder Beitzel zelf) grotendeels in het Roode Hert bivakkeerden. De monteurs in de smederij van Dimmedal stonden onder leiding van Jochem Adams, die zelf bij de familie Dimmedal was ingekwartierd. De monteurs in de smederij van Nusselder stonden onder leiding van Hans Graf, die bij de familie Oldenboom verbleef. Het totale bevel over beide groepen berustte bij Wolfgang Maier. De benedenverdieping van het Roode Hert was gevorderd door een propaganda-eenheid en een administratieve eenheid van de SS, hun commandant ObersturmbahnfŁhrer Weber had een groot gedeelte van de woning van de familie Kranen (tegenover het gemeentehuis) in beslag genomen. Verder moest cafťhouder Bel, nu de Ploegí, zo ongeveer zijn gehele pand afstaan voor de vestiging van een voedseldepot. Van de voorgenomen rust is voor deze Frundsberg-divisie overigens niet veel terecht gekomen, want ze raakten al snel betrokken bij de Slag om Arnhem.

In februari 1945 werd Zelhem opnieuw overspoeld door grote groepen Duitse militairen, deze keer betrof het eenheden van de 116de pantserinfanteriedivisie, bekend als de Windhund-divisie. Deze eenheden kwamen eveneens hier om weer op sterkte te komen. In hoofdzaak werden ze ingekwartierd in huizen in de Winkelshoek, de Wittebrink, de Wassinkbrink en Velswijk. In de Velswijkse school werd een militair hospitaal ingericht. Onder anderen de hospikken Helmut Sporl en Fred Scheltz, beide ingekwartierd bij meester Tieken, waren hier actief. In de molen aan de Wiekenweg werd een voorraaddepot ingericht, waaronder een groot aantal gestolen fietsen. De bewaking berustte bij een vijftal militairen onder commando van Paul Middel. Tot slot streek er van deze 116de divisie nog een afdeling veldartillerie neer in de Meene. Hun stukken geschut stonden gecamoufleerd opgesteld in het Pelikaansbos en het bos van Buunk.
Ongeveer tegelijkertijd met de 116de divisie, in februari 1945 dus, verscheen er nog een eenheid van de Waffen-SS ten tonele, waaronder diverse Nederlandse SS-soldaten die onder meer hadden behoord tot de 5de SS-pantserdivisie Wiking. Eigenlijk was deze groep een samenraapsel van diverse divisies die op de terugtocht bij elkaar waren gevoegd, alles bij elkaar nog zoín honderd man sterk. Zij werden hoofdzakelijk tussen Zelhem en Halle ingekwartierd.

De meeste Duitse legereenheden trokken in maart 1945, met het naderen van de frontlijn, terug tot achter het Twentekanaal. Wel werden er overal kleine groepen met pantserafweerkanonnen en machinegeweren ter verdediging achtergelaten, vooral rond Halle, Halle-Heide en Zelhem aangevuld met kleine groepen van de 346ste infanterie- en de 15de pantsergrenadierdivisie. Het zwaartepunt van hun verdediging lag in Halle langs de Landstraat en de Varsseveldseweg en in Zelhem langs de Halseweg bij het Pelikaansbos, maar overal op kruisingen en langs doorgangswegen werden verdedigende stellingen opgeworpen. Een grote voorraad munitie voor deze troepen werd opgeslagen in de school te Wolfersveen.

Het naderen van de frontlijn en dus van de bevrijding werd ingeluid met enkele luchtaanvallen. Allereerst op 21 maart 1945 op Zelhem, waarbij naast de materiŽle schade dertien slachtoffers waren te betreuren. In de vroege morgen van 24 maart werd Zelhem voor de tweede keer vanuit de lucht aangevallen. Omdat de burgerbevolking het dorp grotendeels had verlaten vielen er ditmaal geen slachtoffers, maar de materiŽle schade was aanzienlijk. Rondom de kerk, die zelf ook zware schade opliep, werden de panden van de dames Bennink, boerderij Looman, Remmeling, smid Nusselder, garage Looman, Bosboom, smid Dimmedal, kapper Derksen, de oude school, Prins, bakkerij Ditzel, garage Sevink en de huizen van Hengeveld en Oosterink geheel of vrijwel geheel vernield. Ook Halle was nu doelwit. Hier werden de kerk en de woningen van de families Hofs en Lovink totaal vernield, waarbij gelukkig geen slachtoffers vielen. Volgens mevrouw Bertha Hofs stond er in de Dorpsstraat een Duitse vrachtwagen met munitie. Mogelijk vormde deze het doelwit, maar werd niet geraakt. Ook de deel van boerderij Rozengaar (net achter Halle) stond vol munitie, maar deze bleef eveneens buiten schot. Halle kreeg op 25 maart nog een tweede aanval te verduren. Dit keer werd de molen van Coops (tegenover Rozengaar), die als uitkijkpost dienst deed voor de Duitsers, door de geallieerden beschoten. Gelukkig waren er ook deze keer in Halle geen slachtoffers te betreuren.

Na deze turbulente dagen volgde een korte periode van rust, waarin het naderende kanongebulder in het oosten de naderende bevrijding aankondigde. Op 25 maart was het Engelse 2de leger, gevolgd door het Canadese 1ste leger, er bij Wesel in geslaagd om de Rijn over te steken. De bevrijding van de Achterhoek was toebedeeld aan het Canadese 2de legercorps en het Engelse 30ste legercorps. De Engelsen, onder leiding van sir Brian Horrocks, kregen het oostelijke deel van de Achterhoek als doel, de Canadezen onder bevel van G.G. Simonds het westelijke deel. De grens lag globaal langs de lijn Terborg, Zelhem, Ruurlo, Borculo.

Op 31 maart namen de schermutselingen rond Zelhem een aanvang. De Duitsers, die ook begrepen hebben dat de aanval vanuit Varsseveld en de Heelweg zal komen, graven zich langs de Landstraat en de Varsseveldseweg in. Met een autobus werd die 31ste maart nog een poging gedaan om versterkingen naar de stellingen langs de Landstraat te brengen. Dit mislukt echter jammerlijk, want de bus wordt vlak voor zijn bestemming, ter hoogte van de boerderij van de familie Hendriksen, door een geallieerd vliegtuig in brand geschoten. Bij deze aanval sneuvelt een Duitse soldaat, diezelfde avond nog begraven in de tuin van de familie Hilferink aan de Aaltenseweg in Halle.
Midden in de nacht krijgen de Engelse troepen rond Varsseveld de opdracht op te rukken in de richting Halle en daarna af te buigen richting Ruurlo. Het 4de regiment Somerset lichte infanterie en het 4de en 5de regiment Wiltshire infanterie ondernemen, ondersteund door tanks van het 4de en 7de bataljon Royal Dragoon Guards, de aanval. Het verkenningswerk wordt verricht door de 1ste Royal Dragoons. Rond 0.15 uur op 1 april (eerste Paasdag) wordt in de Meuhoek voor het eerst de gemeentegrens van Zelhem overschreden door een eskadron tanks van de Royal Dragoon Guards onder bevel van luitenant A.J.L. Macready. Zij rukken zonder op weerstand te stuiten op tot vlak voor Halle, daar worden ze echter onder vuur genomen door de Duitsers. Na een kort vuurgevecht trekken deze zich terug, waarbij ze nog wel even de boerderij van de familie Ter Horst in brand steken. Hier hadden ze namelijk een grote hoeveelheid voorraden opgeslagen die ze niet in Engelse handen wilden laten vallen.

Hoe dicht die nacht de Engelsen de Duitsers op de huid zitten blijkt uit een voorval dat plaats had bij de familie Ter Maat aan de Landstraat. Zij hadden op hun boerderij het Bakkershuus tot twaalf uur ís nachts Duitse inkwartiering gehad, toen vertrokken de Duitsers overhaast. Een half uur later zijn de Engelsen in de boerderij om een gewonde kameraad naar binnen te brengen. Deze heeft een schotwond in de schouder en wordt in de keuken verbonden. Het tankeskadron van de Royal Dragoon Guards wordt vergezeld door een Nederlander die de familie Ter Maat vertelt dat er zo een ambulance komt om de gewonde op te pikken. Nadat de heer Ter Maat de Engelsen de weg richting Zelhem heeft gewezen vertrekken ze.

Na dwars door Halle te zijn getrokken stuiten ze op het kruispunt Halseweg en Halle-Heideweg wederom op Duitse tegenstand. Hier had zich namelijk de Duitse Feldwebel Helmut Dohler verschanst, bewapend met enkele Pantzerfausten en een machinegeweer. Als hij de Engelse tanks in het vizier krijgt opent hij meteen het vuur, maar nadat de voorste tank de positie van Dohler heeft gelokaliseerd volgt een salvo waarbij de Duitser dodelijk wordt getroffen. Diezelfde nacht vindt er nog een schermutseling plaats rond het erf van H. ten Brinke, waar de Duitsers een kanon in hinderlaag hadden opgesteld dat het vuur opent op de Engelse tanks. Tijdens de schotenwisseling die volgt wordt het kanon geraakt door een voltreffer, waarbij drie Duitsers omkomen.
Nu de Duitse weerstand rond Halle grotendeels is gebroken vertrekken de Royal Dragoon Guards vergezelt door het 4de bataljon van het Somerset Light Infantery regiment over de Halle-Heideweg richting Ruurlo. Even later volgen het 4de en 5de bataljon van het Wiltshire Infantery regiment. Ook dit trekt in grote lijnen over de Halle-Heideweg, maar enkele groepen gaan iets verder richting Zelhem om vervolgens af te buigen richting Wolfersveen en van daar door te stoten naar Ruurlo.

De geallieerde voorhoede was nu gepasseerd, maar daarmee is de rust nog niet teruggekeerd. Vanuit oostelijke richting komen langs verschillende routes steeds meer geallieerde eenheden oprukken. Om ongeveer 10 uur ís morgens naderen over de Halseweg eenheden van de 1ste Royal Dragoons die slaags raken met de Duitse eenheden die zich hebben verschanst in het Pelikaansbos. Tijdens dit vuurgevecht wordt boerderij de Roskam in brand geschoten. De Duitsers trekken zich daarop terug richting dorp of probeerden via de Meene te ontkomen.
Tegelijk met de Engelsen komen ook de Canadezen de gemeente binnen. Allereerst het D squadron van de 12de Manitoba Dragoons, een gepantserde verkenningseenheid. Zij komen omstreeks 11 uur ís morgens in Halle-Nijman aan, waar het op kleine schaal tot vuurgevechten komt met de Duitsers. Deze trekken hierop terug richting dorp, de Meene of de Oosterwijk. Rond 12 uur trekken ze door de dorpskern van Zelhem richting Oosterwijk, aan hun rechterhand rukt een gedeelte van de Royal Dragoons via de Meeneweg, Aaltenseweg en Ruurloseweg mee op. Een kleinere groep van de Royal Dragoons trekt door het dorp in de richting van kruispuntĎWaarlo. Om ongeveer 11 uur dendert nog een gepantserde Canadese eenheid, het A squadron van de 14de Canadian Hussars, via de Heidenhoek, het Zelhemsebroek, de Wassinkbrink en de Winkelshoek richting kruispunt Waarlo, waar een ontmoeting zal plaatsvinden met de Royal Dragoons. Deze waren echter opgehouden op de Hummeloseweg. Eerst ter hoogte van de huishoudschool, waar ze in vuurgevecht raken met een groep van de Waffen-SS (hierbij sneuvelt een Nederlndse SS-soldaat). Vervolgens raken ze slaags met een groep Duitsers die zich hadden verschanst bij de molen aan de Wiekenweg. Ook dit gevecht viel in het voordeel uit van de Engelsen, maar de Canadezen hadden intussen besloten om verder te trekken en waren al in Velswijk gearriveerd. Zij bogen af om door de Zelhemse Enk richting Oosterwijk te trekken. De Engelsen trekken vervolgens ook richting Oosterwijk, waar het opnieuw tot een treffen komt met Duitsers. Tijdens deze gevechten gaan de boerderijen van Schieven, Bussink en Luimes verloren.

Tegen de middag hebben de geallieerde gevechtstroepen Zelhem al weer verlaten richting Ruurlo en is de gemeente Zelhem officieel bevrijd. Nu komen de volgtroepen. Zo trekt vanaf de namiddag via de Halle-Nijmanweg en de Halle-heideweg de complete 4de Canadese pantserdivisie voorbij. Via het dorp trekken grote delen van de 1ste Poolse pantserdivisie richting Ruurlo, terwijl het Fort Garryhorse regiment van de 2de Canadese tankbrigade door Velswijk trekt. Nadat ook de achterhoede (met genie, verbinding en intendance) van dit immense leger zijn gepasseerd wordt het weer wat rustiger. Naar schatting zijn deze Eerste Paasdag minstens 50.000 geallieerde manschappen en misschien wel meer dan 15.000 voertuigen over het grondgebied van Zelhem en Halle getrokken.
Alle Duitse krijgsgevangenen worden bijeen gebracht in de weide van Hillen (nu de velden van VV Zelhem). Op een gegeven moment zouden hier ongeveer 200 Duitsers verzameld zijn geweest. De geallieerden hadden voor zover bekend geen verliezen geleden, aan Duitse kant sneuvelden ongeveer twintig man. Een grote groep Canadezen (regiment onbekend) bleef na 1 april 1945 nog weken lang te gast in Zelhem, zij hadden een tentenkamp opgericht aan de Ruurloseweg net buiten het dorp. Toen ook zij uiteindelijk waren vertrokken begon alles weer een beetje zijn normale ritme te krijgen.